uyum sınavı 2. bölüm denemeler 11 adet

 06/12/2007 | Kategori: Sinav Sorulari | Etiket:, , , | Yorumlar:(0)


Vragen
1. Kun je rijst eten of drinken?.
2. Jan is ouder dan Piet. Wie is het jongst?
3. Hoe noem je een gebouw waar kinderen les krijgen ?
4. Hoe noem je iemand die niet kan zien ?
5. Wat doe je in de keuken ?
6. Is woensdag een dag of een maand ?
7. Wie woont er op een boerderij ?
8. Als je rijk bent heb je dan veel of weinig geld ?
9. Als iets ingewikkeld is, is het dan makkelijk of moeilijk
10. Kan je schaatsen als het koud is, of warm?
11. Wat kun je doen met een mes ?
12. Heeft een verkeerslicht drie of zes kleuren ?

Zinnen
1. Ik ga even bloemen kopen.
2. Heb je veel geld over ?
3. Kan dat niet wat sneller ?
4. Bij de supermarkt kan je van alles krijgen.
5. Ik voel me vandaag niet zo lekker.
6. Dat kan iedereen wel zeggen.
7. Je ontmoet gewoonlijk allerlei soorten mensen.
8. Hier kan ik écht niet aan beginnen.
9. Vandaag is het een mooie dag.
10. Schiet op, zo kom je nog te laat op je werk.
11. De buren hebben een mooie auto.
12. Het is niet helemaal gegaan zoals we verwacht hadden.
13. Kunt u op een andere dag niet terugkomen ?
14. Ik had hem dat advies nooit moeten geven.

Tegenstellingen
1. Vroeg -Laat
2. Vrolijk – Verdrietig
3. Oom – Tante
4. Herfst – Lente
5. Eerder – later
6. Vraag – antwoord
7. Liefde – Haat
8. Achter – Voor
9. Uitgang – Ingang

verhalen
‘Fred reed naar huis. Hij was niet blij, want het gesprek met de laatste klant was niet zo goed
verlopen. Fred had geen goede indruk op de klant gemaakt. Die zou vast niets van hem willen
kopen. Toen hij de sleutel in het slot stak, besefte Fred dat hij ook nog zijn tas bij de klant had
laten staan’.
————————————–
De Minister heeft gisteren gezegd dat het goed is als kinderen op scholen het Wilhelmus
kennen. Hij wil kijken of kinderen misschien wel verplicht het volkslied moeten leren op
school. De minister denkt namelijk dat als kinderen het volkslied kennen, ze ook meer
geïnteresseerd raken in geschiedenis. En dat ze meer willen weten over wat er in de
maatschappij gebeurt.

examen 2

Zinnen

1. Ik begrijp het niet.
2. Ik denk dat het bijna twaalf uur is.
3. De volgende keer betaal ik.
4. Hoe kon dat zo gebeuren?
5. Dat kan wel kloppen.
6. Waar zijn we gebleven?
7. Vandaag is het een mooie dag.
8. Kan dat niet wat sneller ?
9. Tot ziens!

Vragen
1. Nu is het maandag, welke dag was het gisteren?
2. Wat is groter, een paard of een hond?
3. Wat doe je aan je voeten?
4. Is een pannekoek rond of vierkant?
5. Welk dier blaft?
6. Welke kleur heeft sneeuw?
7. Is een toren laag of hoog?
8. Waar moet je in de winkel betalen?
9. Welke kleur heeft een aardbei?
10. Wat doe je met je oren?
11. Is je moeder een man of een vrouw?
12. Wat zwemt in water, een vis of een kip?
13. Schijnt de zon in de nacht?

Zinnen
1. Bij de supermarkt kan je van alles krijgen.
2. Dat kan iedereen wel zeggen.
3. Je ontmoet gewoonlijk allerlei soorten mensen.
4. Hier kan ik écht niet aan beginnen.
5. Het moet in december klaar zijn.
6. Heeft u terug van vijftig euro?
7. We hadden gisteren niet zoveel moeten drinken.
8. Zou u een beetje langzamer kunnen spreken ?
9. Volgende keer nemen we een paraplu mee.
10. Hij moet hard werken om nog op tijd klaar te kunnen zijn.
11. Zij heeft de hele nacht doorgereden zonder te stoppen.
12. Eigenlijk doe ik dat liever niet.
13. Over een half uur komt er weer een vliegtuig.
14. Zou u hier even willen wachten ?

Tegenstellingen
1. bijzonder – gewoon
2. expres – per ongeluk
3. goedkoop – duur
4. lelijk – mooi
5. dames – heren
6. ouders – kinderen
7. aankleden – uitkleden
8. boven – onder
9. vriezen – dooien

verhalen
Patat misschien duurder
Patat; dat is nu nog overal te krijgen, maar dat wordt straks misschien anders.
Door het slechte weer zijn er minder grote aardappelen. Van kleintjes kunnen patatboeren geen
goeie patat maken. Het zou kunnen dat een frietje daarom duurder wordt.
————————————————–
In Engeland zijn nog zeker 10.000 koffers zoek! Een week geleden dacht de Engelse politie
dat terroristen aanslagen gingen plegen.
Veel vliegtuigen mochten niet vertrekken. Op het vliegveld van Londen kregen duizenden
reizigers te maken met enorme vertragingen en raakten veel mensen hun bagage kwijt. Maar
na een week zoeken zijn er dus nog steeds veel koffers zoek.

examen 3

Zinnen
1. Hallo! Hoe gaat het met je ?
2. U moet hier wachten.
3. Het boek is nog niet uit.
4. Dit is twee euro teveel.
5. Ik heb twee koffers.
6. Mijn broer doet gewoonlijk de afwas
7. Kan je iets meer over jezelf vertellen ?
8. Ik ben iemand die snel kan beslissen
9. De vogel blijft op een hoge tak zitten.

Vragen
1. Wat is minder, twintig euro of vijftien euro? vijftien euro
2. Wat doe je buiten aan als het koud is?
3. Welke kleur heeft een tomaat?
4. Wat doe je met een pen?
5. Wat is de eerste maand van het jaar?
6. Welke dag komt voor donderdag?
7. Wat is meer, een ons koekjes of 100 gram?
8. Hoeveel wieken heeft een molen?
9. Wat heb je nodig om te strijken?
10. Is opa een man of een vrouw?
11. Wat doe je met een handdoek?
12. Van welk dier komt wol?
13. Wat is warmer, de zomer of de winter?

Zinnen
1. Als ik ha winkelen koop ik vaak schoenen.
2. Ik schaamde me toen ik het antwoord niet wist
3. Het is niet helemaal gegaan zoals we verwacht hadden.
4. Kan iemand misschien een dokter bellen ?
5. Jullie moeten je fiets nu repareren.
6. Als je niet opschiet zul je te laat zijn.
7. Door de harde regen zijn veel planten beschadigd.
8. Waar heb je het in hemelsnaam over ?
9. Je zou eens beter op je woorden moeten letten.
10. Dat stond in de krant van gisteren.
11. Ik moet nu gaan, anders kom ik te laat.
12. De volgende keer beginnen we hier.
13. Mag ik even kijken?
14. Het vliegtuig kwam naast de baan terecht.

Tegenstellingen
1. dag – nacht
2. openen – sluiten
3. stout – lief
4. nu – later
5. modern – ouderwets
6. openbaar – privé
7. slordig – netjes
8. andere – dezelfde
9. nieuw – oud

verhalen
Een man uit België had op een nacht een droom dat hij de lotterij ging winnen. In zijn droom
kwam zelfs het getal voorbij van zijn winnende lot: 2, 6, 9, 11, 40, 41.
Zes jaar lang speelde hij mee met de loterij in België, maar won bijna niets. Tot nu. Want
opeens viel hij wel in de prijzen. Geen klein prijsje, maar de man won maar liefst 410.000 euro!
In een Belgische krant zegt de man: ‘Dromen zijn geen bedrog’.
Jack Neal uit Engeland heeft een auto gekocht op E-bay voor 12.000 euro. Dat was niet
helemaal de bedoeling. Jack is pas drie jaar oud !
—————————————-
De ouders van Jack kregen een e-mail binnen waarin stond: Gefeliciteerd u heeft een auto
gekocht’. De moeder van Jack had de computer aan laten staan.
De ouders konden Jack niet vragen hoe hij dat gedaan had. Jack lag te slapen.
De volgende ochtend zei Jack, toen ‘ie net wakker was: ‘Ik heb een auto gekocht’.

examen 4

Zinnen
1. Ik heb een nieuwe fiets en een oude
2. Heb je een pen bij je?
3. Bent u getrouwd?
4. Zou je dat wel willen ?
5. Hoe kon dat zo gebeuren?
6. Ik denk dat het bijna twaalf uur is.
7. Pas op! Voorzichtig!
8. Zij kunnen heel goed zwemmen.
9. Hoe zag hij eruit?

Vragen
1. Welke maand komt na januari?
2. Wat doe je in je portemonnee?
3. Zijn wielen rond of vierkant?
4. Wat is zoet, suiker of zout?
5. Wat doe je met een oven?
6. Wat doe je met je mond?
7. Hoe noem je de vader van je moeder?
8. Is het in de nacht licht of donker?
9. Hoeveel centimeter is een meter?
10. Hoe heet een weg boven de rivier?
11. Wat is groter, een boom of een plant?
12. Wat doe je met een schaar?
13. Slapen doe je in een …

Zinnen
1. Wat voor mensen doen zulke dingen?
2. Deze korte broek past niet,
3. Ze had een erg litteken op haar gezicht.
4. Waar zijn we gebleven?
5. Het gebeurde tien jaar geleden.
6. Ik schaamde me zo toen ik het antwoord niet wist.
7. De school begint altijd om 8 uur.
8. Ze zouden een paraplu hebben moeten meenemen.
9. Ik had niet zo laat naar bed moeten gaan.
10. Ik was vaak te laat op mijn werk.
11. Mag ik u enkele vragen stellen?
12. We moeten het wat rustiger aan gaan doen.
13. Ik weet het niet.
14. Welke kant gaan we op vanaf hier?

Tegenstellingen
1. even – oneven
2. hard – zacht
3. kopen – verkopen
4. verdrietig – blij
5. Oma – opa
6. licht – zwaar
7. nu – straks
8. ziek – gezond
9. lengte – breedte

verhalen
Nederland is derde geworden bij een internationale intelligentietest zaterdagavond op de
Duitse televisie. De winnaar was Zwitserland gevolgd door Polen. Nederland was favoriet
omdat het eerder bij de scholieren als beste uit de bus kwam.
——————————————————
De Amerikaanse president George Bush is woensdag van zijn fiets gevallen, na een botsing met
een politieagent. De weg waarop het ongeluk plaatsvond was glad vanwege de lichte regen.
Bush kwam er vanaf met schaafwonden op zijn handen en armen en kon het programma van de
G8-top gewoon blijven volgen.

examen 5

Zinnen
1. Vind jij die jongens ook niet lastig ?
2. Naar wie waren zij aan het luisteren?
3. Het is niet helemaal gegaan zoals we bedoeld hadden.
4. Hij is een beetje dom geweest.
5. Hij heeft mijn fiets geleend
6. We krijgen maar weinig klachten.
7. Wat is je voornaam?
8. Ik vindt dat een leuk meisje.
9. Kijk nou toch eens uit wat je doet.

Vragen
1. Wat doe je met een vork?
2. Wat zwemt in water, een vis of een kip?
3. Is een auto om in te rijden, of om te koken ?
4. Is een kerk een gebouw of poort ?
5. Als je een groot gezin hebt, heb je dan veel of weinig kinderen ?
6. Als iets ingewikkeld is is het dan makkelijk of moeilijk ?
7. Hoeveel maanden heeft een jaar?
8. Regen, is dat nat of droog?
9. Hoeveel hoeken heeft een vijfhoek?
10. Wie zorgt voor de molen?
11. Wat maak je met een fototoestel?
12. Welke kleur heeft gras?
13. Is een dijk hoog of laag?
14. Wat heb je nodig om te strijken?

Zinnen
1. Dat kun je op je vingers natellen.
2. We zien geen oplossing voor uw probleem.
3. Kan je me die schroevendraaier even aangeven.
4. Welke taart zou je willen hebben?
5. Zijn er echt geen andere mogelijkheden ?
6. Ik vind het leuk met mensen om te gaan.
7. Waren er veel mensen op de vergadering?
8. Kan er iemand een dokter bellen ?
9. Hij had beter moeten weten.
10. Zij zullen hard moeten werken.
11. Dat kan wel kloppen.
12. Ik woon samen met mijn vriend
13. Uit welk land komt u?
14. Kan ik voor morgen een tafel reserveren ?

Tegenstellingen
1. Broer-zus
2. vriend – vijand
3. optellen – aftrekken
4. delen – vermenigvuldigen
5. lawaai – stilte
6. Zon – maan
7. Dorp – stad
8. vet – mager
9. schoon – vuil

verhalen
De Chinese universiteit Xiamen verplicht zijn studenten bedrijfskunde, economie, informatica
en rechten om golflessen te nemen. De universiteit vindt dat golfen als belangrijk is voor succes
in de zakenwereld.
In China is een debat ontstaan over de vraag of het wel gepast is voor Chinezen om een elitair
spel als golf te spelen, omdat een groot deel van hen nog in armoede leeft.
——————————————————
Een 20-jarige inwoner uit Tiel is woensdagnacht gearresteerd na een inbraak in een woning.
De bewoner hoorde een harde klap, gevolgd door pianospel. Toen hij ging kijken, trof hij een
rommel aan in zijn woonkamer en een man die piano speelde. Dat meldt de politie donderdag.
De dief had spullen van de bewonen in zijn zaken gedaan.
De volgende ochtend vertelde de dief dat hij zich niets meer kon herrineren omdat hij teveel
gedronken had.

examen 6

Zinnen
1. Mag ik me even voorstellen ?
2. Waar denk je aan /
3. Ik ga naar Nederland.
4. Hoe laat is het?
5. Wat is uw adres?
6. Hij heeft weinig vrienden op school.
7. Het spijt me, we zitten helemaal volgeboekt.
8. Kun je me dat nog eens uitleggen ?
9. Zwemmen in de Noordzee is lekker fris.

Vragen
1. Is water uit een sloot gezond?
2. Welk dier legt eieren?
3. Welke dag komt voor zondag?
4. Is je moeder een man of een vrouw?
5. Waar woont u? ik woon in …
6. Hoeveel wielen heeft een auto?
7. Welke maand komt voor december?
8. Wat is zwaarder, een kilo of een ons?
9. Wat doen kinderen op school ?
10. Kan je met een boot varen of vliegen ?
11. Wat is meer, vijf euro of twee euro?
12. Is een bloemkool groente of fruit ?
13. Waar koop je kleren?
14. Wat doe je in je portemonnee?

Zinnen
1. Is het goed als ik wat later kom ?
2. Ik moet plassen.
3. Volgende week gaan we met vakantie.
4. Mag ik van u een bos tulpen ?
5. Ik vind dit geen goed boek.
6. Zou u me even willen helpen ?
7. We hebben om 8 uur afgesproken.
8. Ik heb niets bijzonders bij me.
9. Door de harde regen zijn veel planten beschadigd.
10. Ik ben blij dat het erop zit.
11. Ik ben mijn portemonnee verloren.
12. Hoe laat vertrekt de trein naar Amsterdam ?
13. Dat kun je op je vingers natellen.
14. We zien geen oplossing voor uw probleem.

Tegenstellingen
1. beter – slechter
2. eerlijk – oneerlijk
3. stoppen – doorgaan
4. eten – drinken
5. Water – Vuur
6. overwinning – nederlaag
7. lengte – breedte
8. Herfst – Lente
9. vorige – volgende
10.goedkoep – duur
verhalen
In de herfst kan het hard waaien en dat is vervelend als je met een paraplu loopt. Drie studenten
uit Delft hebben nu een paraplu gemaakt die tegen storm kan.
De paraplu heet ‘SENZ Umbrella’ en ziet er heel hip uit. Je hoeft ook niet meer bang te zijn dat
de paraplu in je ogen prikt, want de uiteinden van de ‘SENZ Umbrella’ zijn beveiligd.
————————————————–
Een babysitter uit Californië is erg dom geweest. Op haar eerste dag op het werk heeft ze het
verkeerde kind van school meegenomen. Ze merkte haar fout pas toen de ouders thuiskwamen
en haar zegen met een onbekend kind.
De familie van het kind wat de babysitter had meegenomen waren ondertussen in paniek
geraakt en hadden de politie gebeld.
Het kind wat niet werd opgehaald moest uren op school wachten.

examen 7

Zinnen
1. Kan je iets meer over jezelf vertellen ?
2. Het boek is nog niet uit.
3. Door de harde regen zijn veel planten beschadigd.
4. Dat kan wel kloppen.
5. De vogel blijft op een hoge tak zitten.
6. Schiet op, zo kom je nog te laat op je werk.
7. Het is niet helemaal gegaan zoals we verwacht hadden.
8. Kunt u op een andere dag niet terugkomen ?
9. Vandaag is het een mooie dag.

Vragen
1. Kan je met een boot varen of vliegen ?
2. Welke maand komt voor december?
3. Is een pannekoek rond of vierkant?
4. Als je rijk bent heb je dan veel of weinig geld ?\
5. Welke kleur heeft een aardbei?
6. Hoeveel wieken heeft een molen?
7. Heeft een verkeerslicht drie of zes kleuren ?
8. Is een toren laag of hoog?
9. Wat doe je met een handdoek?
10. Wat doe je buiten aan als het koud is?
11. Is een bloemkool groente of fruit ?

Zinnen
1. Ik schaamde me toen ik het antwoord niet wist
2. Hij moet hard werken om nog op tijd klaar te kunnen zijn.
3. Zijn er echt geen andere mogelijkheden ?
4. Zou u hier even willen wachten ?
5. Het spijt me, we zitten helemaal volgeboekt.
6. Heeft u terug van vijftig euro?
7. Dat kun je op je vingers natellen.
8. We zien geen oplossing voor uw probleem.
9. Waar heb je het in hemelsnaam over ?
10. Je zou eens beter op je woorden moeten letten.
11. Dat stond in de krant van gisteren.
12. Hij heeft weinig vrienden op school.
13. Volgende keer nemen we een paraplu mee.
14. Ik woon samen met mijn vriend

Tegenstellingen
1. bijzonder – gewoon
2. expres – per ongeluk
3. goedkoop – duur
4. lelijk – mooi
5. dames – heren
6. ouders – kinderen
7. aankleden – uitkleden
8. boven – onder
9. vriezen – dooien

Verhalen
Mooie mensen vinden sneller een baan. Dat vindt ruim 85 procent van de Nederlanders, zo
blijkt uit onderzoek van de online banensite onder 821 deelnemers. De resultaten zijn
donderdag naar buiten gebracht.
———————————————–
Nederlanders hebben het idee dat mooie mensen worden voorgetrokken bij het solliciteren.
Eén typefoutje kan grote gevolgen hebben. Alle nieuwe bankbiljetten van het land Kazachstan
zijn verkeerd gedrukt.
Op de nieuwe bankbiljetten van Kazachstan blijkt een grote spelfout te staan. Het woord ‘bank’
is verkeerd geschreven. De centrale bank van Kazachstan wil het geld niet vernietigen. De
bank wil het geld eerst in gebruik nemen en later weer inzamelen.

examen 8

Zinnen
1. Ik moet een nieuwe bril.
2. Daar heb ik nog nooit van gehoord.
3. Twee is teveel
4. Heb je een pen bij je ?
5. het moet in januari klaar zijn
6. we gaan daar de volgende les mee verder
7. Dat was een pijnlijke vergissing
8. Als ze tenminste op tijd zijn
9. Hij gaat ieder weekend vissen.

Vragen
1. Welke kleur heeft de lucht ?
2. Als iets kookt, is het dan heet of koud ?
3. Hoeveel zijden heeft een driehoek ?
4. Kun je melk eten of drinken ?
5. Wat komt er na acht ?
6. Is je broer een man of een vrouw ?
7. Als iets eenvoudig is, is het dan makkelijk of moeilijk ?
8. Welke maand komt er voor April ?
9. Wat doe je met een lepel ?
10. Wat is groter een muis of een konijn ?
11. Wat doe je in een bed ?
12. Hoe smaakt suiker ?
13. Fiets je op een rivier of op een pad ?
14. 1 Uur, hoeveel kwartier is dat ?

Zinnen
1. De aardappels zijn op
2. Als we tenminste op tijd zijn.
3. Ik weet niet hoe dat kon gebeuren.
4. Hij moet het wat rustiger aan gaan doen.
5. Kan dat niet wat sneller.
6. Kunt u mij vertellen hoe laat het is.
7. Nee hè, daar gaan we weer.
8. U gaat bij de volgende stoplichten linksaf
9. Ik moet nog even boodschappen doen.
10. Doe je het licht uit als je weggaat ?
11. Ik hoop niet dat het straks gaat regenen.
12. Ga je mee ?
13. Wie is er aan de beurt ?
14. Kunt u wat langzamer praten ?

Tegenstellingen
1. Leeg – Vol
2. Soms – Altijd
3. Geven – Nemen
4. Niets – Alles
5. Dood – Levend
6. Vlug – Langzaam
7. Winter – zomer
8. Onthouden – vergeten
9. Nep -Echt

Verhalen
Vincent wil niet naar school. Maar.., school is belangrijk als je
goed werk wilt vinden of geld wilt verdienen.
Z’n vader zegt: ‘het is toch leuk om al je vriendjes te zien op school’.
Maar Vincent wil geen geld verdienen, en hij heeft niet zoveel vriendjes.
Hij gaat naar de haven om naar de boten te kijken.
Hij droomt van verre landen.
——————————-
Renate is bang voor vliegtuigen, ze durft niet te vliegen.
Ze is zelfs bang voor een vliegtuig dat over komt vliegen.
Haar moeder vertelt dat Renate, toen ze klein was, ook al bang was voor vliegtuigen.
Als er een vliegtuig over kwam vliegen dook ze altijd onder de tafel of onder een stoel.

examen 9

Zinnen
1. Tot morgen, half 10
2. Je mag hier maar 80 rijden
3. Ik ga straks naar school
4. Pas op dat je niet valt
5. Ga je morgen mee naar het strand, het wordt lekker weer.
6. Is er vanavond nog wat op de televisie ?
7. Ik hoop niet dat het zo blijft
8. Volgende keer beter.
9. Gelukkig heb ik mijn portemonnee nog gevonden

Vragen
1. Zijn schoenen om te lopen of om te drinken ?
2. Is een peer groente of fruit ?
3. Is ijs warm of koud ?
4. Is een toren hoog of laag ?
5. Waar ga je naar toe als je ziek bent ?
6. Wat zet je in een vaas ?
7. Hoeveel centimeter gaan er in een meter ?
8. Wat komt er na de lente ?
9. Wat is later, half acht of acht uur ?
10. Sneeuwt het in de winter of in de zomer ?
11. Welke kleur heeft gras ?
12. Wat doe je met een glas ?
13. Wat is zwaarder, een pond gehakt of 500 gram ?

Zinnen
1. Spruitjes vindt ik niet lekker.
2. Hebben jullie mijn sleutels gezien ?
3. Zet de radio eens wat zachter !
4. Mag ik van u de rekening ?
5. Zorg dat je een paraplu mee neemt, het gaat vast regenen.
6. Heeft u terug van vijftig ?
7. We hebben de trein gemist.
8. Ik wil graag twee dozen aardbeien
9. Anders nog iets ?
10. Weet u waar het stadhuis is ?
11. U heeft te hard gereden.
12. Later als je groot bent mag jij ook
13. Ik lust wel een wijntje
14. Ik ga nog even mijn tanden poetsen.

Tegenstellingen
1. Huilen – lachen
2. Schoon – vies
3. Op – onder
4. Jongen – meisje
5. Omhoog – omlaag
6. Lekker – vies
7. Licht – donker
8. Winnen – verliezen
9. Half – heel

verhalen
Een man uit Duitsland heeft wel heel veel geluk. Hij won deze week -samen met een collegaeen
jackpot van bijna 6 miljoen euro. En een paar jaar geleden won hij ook al een prijs van
bijna anderhalf miljoen!
Het is niet bekend hoe vaak het gebeurt dat iemand twee keer achter elkaar zo’n hoge prijs
wint. Maar zeker is dat het bijna nooit voorkomt.
—————————-
Jip en Janneke zijn bij tante Mies.
Zij hebben in de tuin gespeeld.
En ze hebben een ijsje gehad.
En ze hebben bij tante gegeten ook.
Worteltjes en biefstuk en pudding.
En nog meer pudding.
En het was lekkerder dan thuis.
Ziezo, zegt tante Mies. Jullie moeten
naar huis.

examen 10

Zinnen
1. Als we geluk hebben kunnen we het nog net zien.
2. Ik voel me al weer een stuk beter.
3. Heb je het al gehoord ?
4. Het eten was verrukkelijk.
5. Heb jij toevallig geld bij je ?
6. Ik heb haar eergisteren nog gezien.
7. Volgens mij moeten we die kant op.
8. Zullen we vanavond naar de bioscoop gaan.
9. Neem jij de telefoon even aan ?

Vragen
1. Is een jurk voor mannen of voor vrouwen ?
2. Welke kleur heeft een banaan ?
3. Wanneer wordt je meestal wakker, ‘s-ochtends of ‘s-avonds ?
4. Hoeveel dagen heeft een week ?
5. Heeft de zee zout of zoet water ?
6. Is je neefje een jongen of een meisje ?
7. Als ze zon schijnt is het dan mooi weer of slecht weer ?
8. Kunnen vogels vliegen of rijden ?
9. Welke dag komt er na donderdag ?
10. Wat gebruik je met een spijker, een hamer of een pan ?
11. Is water vast of vloeibaar ?
12. Is een opa oud of jong ?
13. Hoeveel is 10 gedeeld door 2 ?

Zinnen
1. Het is hier benauwd.
2. Wanneer ben je jarig ?
3. Sinasappels zijn erg lekker ?
4. Hoe zat dat ook alweer ?
5. Ik zal blij zijn als het eindelijk weekend is.
6. Ik heb om kwart over elf een afspraak met meneer Jansen.
7. Ik vindt dat geen aardige jongen.
8. Zal ik even met u meelopen ?
9. Aan het eind van de maand is mijn geld altijd op.
10. Wat krijgt u ook alweer van me ?
11. Ik heb de auto daarachter geparkeerd.
12. Gisteren zij zij dat ook al tegen me.
13. Ik heb vannacht slecht geslapen.
14. Neem je dan gelijk wat melk mee ?

Tegenstellingen
1. Dik – Dun
2. Morgen – gisteren
3. Verlagen – verhogen
4. Komen – Gaan
5. Erin – Eruit
6. Branden – Blussen
7. Voorkant – Achterkant
8. Weinig – Veel
9. Interessant – saai

verhalen
Die vogels, zegt boer Jansen, ze eten al mijn kersen op.
0, zegt Jip. Hebt u dan geen vogelverschrikker?
Ja, zegt boer Jansen, die heb ik wel. Maar de vogels zijn er niet bang voor.
Zullen wij ze wegjagen? vraagt Janneke. Goed, zegt boer Jansen. Kom maar mee In de
boomgaard. En Jip en Janneke gaan mee. Het is een grote boomgaard. En overal hangen de
kersen. Mooi rond en rood zijn ze.
Jip en Janneke doen erg hun best. Ze schreeuwen en ze klappen in hun handjes.
En ze gillen heel hard. En daar zijn de vogels bang voor. Ze vliegen allemaal weg.
Jullie mogen zoveel kersen eten, als je wilt, zegt de boer.
—————————————————
Het is zo druk op straat! Ja, zegt moeder, nu moeten alle mensen inkopen doen. Ze kopen
suiker. En meel en bloem. En rozijnen. Voor de oliebollen, zegt Jip. Want maandag is het
oudejaar. En dan eten wij oliebollen, zegt Jip. En wij ook, zegt Janneke. Kom, zegt moeder. Ik
ga nog wat appeltjes kopen. Hier, in de groentewinkel. Ze gaan naar binnen. En moeder koopt
mooie rode appeltjes.

examen 11

Zinnen
1. Kunnen we er niet over praten ?
2. Zou jij dat even voor me willen doen ?
3. Ik ben vanavond laat thuis, ik moet overwerken.
4. Moet je horen wat er in de krant staat.
5. Morgen is er weer een dag.
6. Dat is toch niet mijn probleem.
7. Mijn fiets heeft een lekke band.
8. Ik denk niet dat we nog op tijd komen.
9. Ik heb geen kleingeld bij me.

Vragen
1. Is een taart zoet of zuur ?
2. Hoeveel pond gaat er in een kilo ?
3. Wat komt eerder, dinsdag of donderdag ?
4. Wat doe je met een pen ?
5. Gaat een slak snel of langzaam ?
6. Wat doe je in bad ?
7. Wat is groter een kip of een schaap ?
8. Waarvan wordt brood gebakken?
9. Kan je met een boot varen of vliegen ?
10. Wat is meer, zeven euro of negen euro?
11. Is een bloemkool groente of fruit ?
12. Wat doe je met je mond?
13. Hoe noem je de moeder van je vader?
14. Als iets kookt, is het dan heet of koud ?

Zinnen
1. Morgen neem ik een vrije dag.
2. Deze melk is niet goed meer.
3. Ik heb nu echt geen tijd voor je.
4. Dat is niet goed geregeld.
5. Kunt u me daar wat meer over vertellen ?
6. Ik heb straks een afspraak.
7. Ik voel me niet helemaal lekker vandaag.
8. Heb jij mijn tas ergens zien staan ?
9. Vind je het goed als ik even je fiets leen ?
10. Heb jij ook zo’n trek in een ijsje ?
11. Kan ik u straks even terugbellen, het komt nu niet uit.
12. Ik heb gehoord dat het volgende week mooi weer wordt.
13. Jij hebt ook altijd wat !
14. Ik moet vandaag nog veel doen.

Tegenstellingen
1. Dichtbij – veraf
2. Vroeger – Later
3. Praten – Zwijgen
4. Delen – vermenigvuldigen
5. Sterk – Zwak
6. Hier – Daar
7. Bijzonder – Gewoon
8. Dag – Nacht
9. Aanwezig – Afwezig

verhalen
Hand in hand lopen Jip en Janneke over de weg, ij gaan naar de boerderij.
Maar als ze bij het hek komen, blijven ze staan.
Kijk daar, zegt Jip. een hond, een hele grote hond.
Ik ben niet bang voor hem, Ik ook niet, zegt Janneke.
Maar dan komt de hond met grote sprongen op Jip en Janneke af.
Ze gillen allebei heel hard en hollen weg. Maar de hond kan veel harder lopen.
Gelukkig komt daar net de boer aan. Hij pakt de hond vast en zegt: Koest!
Dit is Hektor, zegt hij tegen Jip en Janneke. Hij is braaf. Hij doet niets.
———————————————————–
Er liggen zoveel blaren in de tuin, zegt Jip’s vader.
Zoveel blaren. Wie wil ze eens voor me opruimen?
Ik, zegt Jip. Ik, zegt Janneke.
In het schuurtje is de hark, zegt Jips vader. En de
kruiwagen vind je er ook wel. Zorg dat het fijn in
orde komt. En dan gaan Jip en Janneke aan het
werk. Ze vegen de blaren op een hoop. En het zijn
er veel. Want het heeft gewaaid. En het is herfst.
Kijk eens, zegt Janneke. Wat mooi!

ayrıca word kayıt adresi==

http://upshare.eu/?d=68401D1D7

sifre= http://www.dilogren.com

umarım biraz yardımcı olur kusura bakmayın sorularına cvb veremedim kısa cvb lara.
kolay gelsin

Yeni ilan: | Eski ilan: